|
Al direct na de bevrijding in oktober '44 gingen we met een hele stoet per fiets naar Eindhoven om ons te melden bij de Luchtmacht.
Het duurde lang voor ik iets hoorde. In februari '45 kwam er een Marine meldingsbureau bij hotel Verwiel in Waalwijk en heb me opnieuw gemeld. Al spoedig naar de keuring en vertrokken we met vrachtwagens van de Marine via Breda, Antwerpen en Brussel naar Oostende.
Na 3 dagen voeren we 's nachts het kanaal over en met de trein naar Londen. We kwamen op de opvangboot "Oranje Nassau" terecht. Hier werden we opnieuw gekeurd, gekleed en getest voor welk vak we geschikt waren.
Kees Verhagen en ik werden geselecteerd voor radio-telegrafist. Nadien gingen we naar een kamp in Wales en kregen we onze militaire opleiding van 6 weken. Na 3 maanden vertrokken we naar Dundee in Schotland en in Glasgow kregen we een opleiding van 7 maanden,
waarna we als Tel-III-klasse werden geplaatst op Hr. Ms. "Karel Doorman".
In de Ierse Zee waren veel oefeningen met de piloten om te landen met hun Firefly's op dat kleine vliegveldje. Begin juni '46 terug in Holland en werd de Doorman gereed gemaakt voor de tropen.
In Juli vertrokken we naar Glasgow, Plymouth en Porthmouth om de vliegtuigen, onderdelen en munitie te laden.
We voeren om de Kaap en in Simonstad, een marinehaven, daar hebben we een week gelegen.
We kregen er een grandioos feest aangeboden van de Hollandse gemeenschap. Er is 2 avonden echt feest gevierd. Ik heb bij een echtpaar geslapen waarvan de man met de Irene-brigade Tilburg heeft bevrijd.
Van Simonstad naar Indië, waar de Firefly's vertrokken naar Kemajoran. We hebben met de Doorman nog veel havens aangedaan en in Makassar kregen we 10 dagen verlof naar Malino in de bergen, waar de "Turk Westerling" de baas was.
Terug aan boord werd Kees Verhagen op de Hr.Ms. "Evertsen" overgeplaatst.
Tot hier toe waren we altijd samen geweest. We voeren nog via Seram en Ambon, terug via Makassar naar Priok. Ik wreef me al in m'n handen en dacht mee terug te gaan naar Holland, doch een uur voor vertrek werd ik overgeplaatst naar R.V.I. (Radio-Verbinding-Indië) te Batavia aan het Koningsplein.
Van hieruit werd de radio-omroep, telegrammen enz., verzorgd voor alle oorlogsschepen en walstations in geheel Indië, 24 uur per dag. Dit hier was het mooiste werk dat ik ooit gedaan heb. Op R.V.I. verbleef ik ongeveer 10 maanden en werd toen overgeplaatst op een kleine patrouilleboot in Priok, de R.P.-119, acht meter lang met een totale bemanning van elf personen.
Hiermee maakten we patrouilletochten in Straat Soenda en bleven dan zo'n 10 tot 20 dagen op zee. Het vers eten was een probleem op zo'n klein schip en je was aangewezen op blik en gedroogd voedsel. Gelukkig hadden we een begrijpende en meelevende commandant (hij zat in 't zelfde schuitje) ,
dan voeren we eerst een baai aan de Zuidkust van Sumatra in en enkele van ons gingen aan land en schoten een wild varken.
Dat werd geslacht, half doorgebakken en ging in de koelkast in. Zo konden we een paar weken vooruit.
We hadden op een rif gezeten en moesten voor revisie naar Soerabaya. Dat duurde een maand en ondertussen kregen we tien dagen verlof naar Bali. Met een Catalina vliegboot erheen en met een vracht-dakota terug. De laatste weken in Soerabaya kreeg ik nog dysentrie en moest de ziekenboeg in.
Toen de boot klaar was, heb ik moeten praten als Brugman om (met pillen) mee terug te mogen naar Priok. Ik had ongeveer vijf maanden op dit bootje gevaren en had het prima naar m'n zin, moest ik plotseling overstappen op een andere patruoilleboot die naast ons lag in Priok. Die moest naar Belawan (N.O-Sumatra) en hun telegrafist had malaria gekregen.
Dat was even een tegenvaller, van een luxe jacht (RP-119 was overgenomen van Australië, had 2 koelkasten, voorkajuit, eetkajuit, 2 hutten, 3 slaapplaatsen en 2 slaapbanken van leer, 3 dieselmotoren, 3 schroeven en topsnelheid 13 mijl) kwam ik op een modderschuit, die oorspronkelijk bedoeld was om de vracht van grote schepen aan land te brengen.
Het laadruim voorin was omgetoverd in slaap en leefruimte.
De kok moest in de openlucht koken achter op het kajuitdek onder een gespannen zonnedek. Die trip naar Belawan door straat Banka en de Riauw-archipel tussen Malakka en Sumatra duurde twee weken, het was ongeveer 2600 km en dat ging met hooguit een snelheid van 6 à 7 mijl.
Van Belawan uit maakten we patrouilletochten naar de Langsabaai tot Lhokseumawe in het noorden.
Ook hier kregen we tien dagen verlof naar het Tobameer.
Toen ik daar zo'n 4 maanden had gevaren werd het zo langzamerhand tijd om terug te keren naar Batavia voor de thuisreis. Jawel hoor, op een gegeven moment kwam er een telegram binnen dat ik was overgeplaatst naar Soerabaya in afwachting van thuisvaart met de "Waterman".
Per KLM-dakota van Medan naar Batavia en enkele dagen later zou ik doorvliegen naar Soerabaya.
Aangezien ik het niet zo begrepen had op Soerabaya, ging ik vlug naar m'n vroegere chef op R.V.I. en vroeg hem of hij niet kon versieren dat ik bij hen kon blijven tot de Waterman in Priok zou komen, dan kon ik ondertussen in zijn ploeg mee werken als voorheen.
Daar had de majoor wel oren naar en maakte het in orde, zodat ik de laatste anderhalve maand in Batavia kon blijven.
In die periode kreeg ik nog een onverwacht bezoek van Sprang-Capellenaren, die in Mr. Cornelis lagen, ik heb hun toen ook een tegenbezoek gebracht. Enkele dagen later vertrok ik naar Holland. Op de Waterman zag ik m'n oude maten en ook Kees Verhagen weer terug. Ik wist wie er allemaal meegingen want ik had zelf de namen overgeseind naar Soerabaya.
Op 3 sept. 1948 kwamen we in Rotterdam, kregen een maand verlof en een gratis abonnement voor trein en bus.
Na het verlof heb ik nog dienst gedaan bij de onderzeedienst in Rotterdam en bij de luisterdienst in Oegstgeest.
Gedemobiliseerd 24 jan.'49, maar vóór kerstmis was ik al voorgoed thuis.
|
Gastenboek lezen Gastenboek tekenen |
|
Suggestions, additions and corrections concerning this page should be directed to <Reinaert>.