|
Op 9 aug 1945 kwam ik in dienst bij de Koninklijke Marine en kwam terecht in opkomst centrum HR.MS. ROYAL ARTHUR in Wales. M'n opleiding tot kanonnier kreeg ik in Porthmouth.
Na de opleiding eerst 14 dagen verlof naar Holland en toen naar Glasgow en werden we geplaatst op HR.MS. KAREL DOORMAN, een vliegdekschip met aan boord een squadron "Firefly's"
onder bevel van Kapitein-luitenant ter zee vlieger Jhr. P. J. Elias.
Inmiddels was er in Ned. Indië een dringende behoefte aan vliegtuigen en kwam de opdracht met de 15 volledig uitgeruste en bewapende vliegtuigen
met circa 1000 ton munitie en 1000 ton reservedelen naar Java te vervoeren.
Aan boord was ik schrijver van de commandant van het vliegdekschip, Kapitein A. de Booy en bleef van alles goed op de hoogte tijdens de reis.
Eind augustus 1946 begon de reis naar Indië vanuit Glasgow via Zuid Afrika. Op deze route ergens op de Zuid-Atlantische oceaan speelde zich een droevig voorval af.
Matroos Leendert Gerritsen (zat bij ons in opleiding kanonnier) was bezig het dekkleed van een kanon af te nemen en dit schoot onverwachts los en hij viel achterover in zee.
Er werd direct een reddingsboei uitgegooid, een sloep werd uitgezet, men zag hem nog even maar hij was al spoedig voorgoed verdwenen. We visten de boei leeg uit zee.
Op 20 september bereikten we Simontown in Z. Afrika en het traject naar Tandjong Priok begon.
In Straat Soenda kwamen we de HR. MS. VAN GALEN tegen. Hier stegen ook de vliegtuigen op van boord en vlogen naar het 150 mijlen verder gelegen vliegveld Kemajoran te Batavia.
Bij het opstijgen ontstond bij een vliegtuig kortsluiting en werd in zee gewortpen, bij het landen op Kemajoran zakte een toestel door z'n landingsgestel. twee incidenten,
dat ging behoorlijk goed, de piloten hadden in 2 maanden niet gevlogen.
Bij het afmeren in Prïok hadden we veel last van de dichtgeslibde haven. Vanaf Batavia vertrokken we via Semarang naar Soerabaya Om voorraden en munitie van het squadron daar te lossen.
Het squadron werd gelegerd op het mariaevliegkamp MOROKREMBANGAN te Soerabaya. Vandaar vertrokken we naar Makassar op Celebes, dit bereikten we op 13 november 1946. Van daaruit naar Ambon en Banda.
We hebben 400 ton djati-hout geladen in Boetoe Oraba. Dat werd in de vlieghangars geladen. Het hout was bestemd voor nieuwe loodsboten in Nederland.
De bevolking had last van wilde varkens. In de kortst mogelijke tijd schoten we 5 wilde buffels, 12 herten en 30 varkens. Eerst heb ik ze allemaal geslacht voor ze in de vriesruimten gingen.
Na ons vertrek in Banda liepen we op 11 december 1946 Tandjong Priok binnen. Hier kregen we krijgsraad-arrestanten aan boord, die gedurende de terugreis mee hielpen het vliegdek roestvrij te maken.
We vertrokken via de Kaap naar huis. Tijdens de oversteek naar Kaapstad overleed een matroos in de ziekenboeg en kreeg een plechtig zeemansgraf. Op 8 jan. '47 waren we in Kaapstad.
Ter hoogte van Senegal kreeg een opvarende blindedarmontsteking en we ankerden voor de kust van Dakar, werd aldaar geopereerd en daarna per vliegtuig naar Nederland gebracht.
Ook Casablanca hebben we nog aangedaan.
Op 18 febr ‘47 voeren we een bevroren Noordzeekanaal binnen, dat ons schip gemakkelijk openbrak. Eindelijk weer terug in Holland.
Op 1 maart 1948 heb ik de Marine verlaten.
|
Gastenboek lezen Gastenboek tekenen |
|
Suggestions, additions and corrections concerning this page should be directed to <Reinaert>.