Oud-Nieuws

Het Meisje en de Spaniel

Trillend van de hitte en bijna geheel verlaten lag de weg op het vroege middaguur. Het asfalt scheen te smelten. Daar stond ik ergens op Goebeng en wachtte te vergeefs op een lift. Ik was te loom en het weer was te warm om ook maar een stap te doen. Dus wachtte ik in de twijfelachtige schaduw van een boompje en keek verveeld rond. Aan de overkant van de straat speelden enige hondjes met de afval in een vuilnisbak. Twee baboes zaten gehurkt achter een kleine negotie van rijstballen, rotte visjes en andere, in pisangbladeren geborgen pedishapjes. Ze kwekten dat het een lust had en lachten nog meer.

Een paar radio's deden hun best om elkaar op verschillende golflengten te overstemmen, wat hier in Soerabaja, vooral 's avonds, een soort sport schijnt te zijn. Zo stond ik daar, terwijl het zweet tappelings onder m'n beste khaki-stel liep. Er kwamen geen jeeps, geen trucks. Juist toen ik maar besloten had om aan de knieën te trekken, kwam er een meisje de hoek om, in een lichtblauw jurkje. Ik floot heel zacht tussen m'n tanden, want ze had het een en ander, dat kan ik je verzekeren.. Lange goudblonde krullen, waar het zonlicht in leek te dansen; grote blauwe ogen, die met een vrolijke tinteling de warme wereld in keken en een rode lachende mond, waar niet al te veel lipstick op gesmeerd was. Een mooie spaniel liep aanhankelijk naast haar. Vergeten was de warmte, vergeten was de lift en vrijwel ademloos stond ik te kijken naar zoveel liefs, zoveel schoons, zoveel vrouwlijks.

Op het moment, dat ze me met zedig neergeslagen ogen zou passeren, schoten onverwachts de drie hondjes van de overkant op de spaniel af en zonder dat er direct een oorzaak voor aan te wijzen was, ontstond er plotseling een woedend gevecht, waardoor m'n aandacht, van het meisje in het blauw, voor een ogenblik werd afgeleid. De. drie hondjes zaten de spaniel behoorlijk op zijn huid, deelden woedende knauwen uit en ...... „Ooooh", hoorde ik naast me en toen ik me omwende, keek ik in de meest onschuldige blauwe ogen, die ik in jaren gezien had. Ze leken een beroep te doen op de doortastendheid, den Marinier eigen. Nu behoor ik niet tot diegenen die zo geweldig goed met honden kunnen omspringen. Toen ik een baby was werd ik eens door de St. Bernhard van onze buren in de luier gepakt en sindsdien ontstond er in mij een zekere terughoudendheid ten opzichte van het hondenras. Maar die lieve blauwe ogen deden me dit keer die terughoudendheid overwinnen. Bovendien, als ik die hond voor haar redden kon, was een kennismaking opgelegd pandoer.

Ik bedacht me niet lang en sprong in de kluwen honden om de spaniel te ontzetten. Terwijl ik één hondje in z'n strot greep en hem weg wou slingeren, struikelde ik over een ander en tuimelde lelijk hard tegen dek. Ik voelde dat m'n khakibroek ergens scheurde. Ook ontdekte ik, door een klein scheurtje, dat m'n knie bloedde. Bij die onprettige gewaarwording schoot echter meteen de gedachte door m'n hoofd, dat zij straks, als ik haar haar spaniel zou overhandigen, zou zeggen: „Ooh, Uw broek is gescheurd en Uw knie bloedt het is toch niet erg?" En dan zou ik zeggen, dat het niet zo erg was, maar toch daarbij een zeer pijnlijk gezicht trekken en dan zou zij zeggen, dat ze vlak om de hoek woonde en dat ik toch even m’n knie moest uitwassen (want je krijgt hier zo snel infectie) en dat ze zich absoluut verplicht voelde om de broek voor mij te maken en dat ...... Zo dacht ik, terwijl ik opkrabbelde en met hernieuwde moed nam ik een tweede duik tussen de honden.

Het werd een hete strijd. Steeds als ik twee honden van de spaniel verwijderd had en bezig was met de derde, kwam het eerste hondje er weer bij om 'm een kantje te geven. Ik viel nog drie keer en voelde, hoe m'n khaki aan het asfalt bleef kleven en zag tussen de bedrijven door de onherstelbare teervlekken op m'n hemd en broek. Ik kreeg een behoorlijke beet in m'n rechter pols en een knauw in m'n linker arm van de spaniel liefst. Maar het was voor het goede doel, of beter voor een beeldschoon doel. . Ik zette door en kreeg tenslotte met een schop, een harde, goed gerichte trap en een snelle greep de spaniel vrij, nam hem in m'n armen en draaide me triomfantelijk, met iets in m'n blik van „het-was-alleen-voor-jóu", om. Zij, het meisje met de gouden lokken en het blauwe jurkje was er niet meer. Pakweg, dat de spaniel haar hond niet was geweest, pakweg, dat m’n heroische strijd voor niets geleverd was.

Als door de mist zag ik de baboes lachen. Met m’n hand op mijn zitvlak ben ik, langs stille wegen naar huis geslopen. Met m’n broek heb ik dien avond m’n geweer schoongemaakt. M’n hemd heb ik aan onze djongos gegeven, die het nogal critisch bekeek en ik heb hem trachten uit te leggen, dat je een gegeven hond nooit in de bek moet kijken.

Bron: Ik zal handhaven
7-12-1946

april 2000 George J. Visser (IMH)