" Oud – Nieuws "

Nr. 009 t/m 011 Rubriek voor NEDVET’S en BAKSGEWIJS samengesteld door George J. Visser, oud-MLD’er

 

Verloren Vliegers in Australisch binnenland

Onder deze titel beginnen wij een spannend vervolgverhaal, handelend over de Dakota-Bemanning van de M. L. D. die op 25 Maart 1947 in het binnenland van Australie een noodlanding moesten verrichten.

Aan de families van officier vlieger Van Niftrik, sergeant Ronde, telegrafist. van Rhoon, sergeant-mecano Brard en van de drie passagiers, officier zeewaarnemer Yzendoorn, sergeant Houwniet en matroos Barnard was reeds bericht gezonden, dat zij op het ergste moesten zijn voorbereid. De 25ste Maart, om 6 uur 's morgens waren zij met een Dakota van de M.L.D. uit Sydney vertrokken. Charleville was op de normale wijze aangedaan; Cloncurry zat dicht met slecht weer; daarom werd een tussenlanding gemaakt te Longreach, waar de tanks vol benzine werden gegooid, met de bedoeling om in een ruk van 6 ½ uur naar Port Darwin te vliegen. Twee en een half uur na het vertrek uit Longreach werd het laatste bericht van de Nederlandse Dakota ontvangen; daarna zweeg het toestel en zweeg ook de woestijn, waarboven een zware regenbewolking hing.

Wat was er van deze mensen terecht gekomen? Zou er ooit, in de eindeloze woestenijen van Centraal en Noord Australië een spoor van hen zijn te ontdekken?

Tegenover me zit Van Niftrik, een tengere, donkere man, van misschien even dertig jaar. Een half uur geleden kwam hij, zo uit Australië, de eetzaal van de M.L.D. te Soerabaja binnenlopen, met lange, rechte passen. Het ongeluk met de Dakota is reeds meer dan een maand geleden en het is tenslotte, wat de mensen betreft, goed afgelopen

„He, daar heb je Van Niftrik", zeiden er een paar. En Van Niftrik, hier en daar groetende, kroop in een hoek en at zijn maal. Sommigen kwamen hem de hand drukken, maar in het geheel genomen kan ik toch niet zeggen, dat de terugkeer .van deze vermiste vogel in het nest veel opwinding veroorzaakte.

Vliegers zijn merkwaardige mensen; ze leven in andere proporties, geloof ik, dan gewone stervelingen. Als ze er op het kantje af het leven afbrengen, vindt ieder dat normaal. Als het niet gebeurt, weet ik niet,. hoe ze reageren; ik denk, dat er dan ook weinig gepraat wordt.

Maar ik wilde het mijne ervan hebben. „Kunt U mij vertellen, wat U daar in de wildernis hebt meegemaakt?", vroeg ik. .,Ja, dat kan" zei hij , "maar wordt een heel verhaal".

Zoo zijn we tegenover elkaar komen te zitten, ik met een blocnote hij met zijn pijp, een voorwerp, wat ik hem gedurende het gehele gesprek niet heb zien loslaten tenzij wanneer hij me even een situatie moest tekenen. En toen kwam het; het relaas van de noodlanding, die slaagde, dank zij bekwaamheid en geluk en van een barre tocht door de wildernis waar tevoren geen andere mensen zullen zijn geweest.

Nauwkeurlg vertelt hij me de details; zelden ontving ik een zo duidelijk beeld van belevenissen, zo duidelijk,

dat ik me enige malen beklemd afvroeg: „Zouden ze het er levend afbrengen?" Maar nee; het is geen fantasie; het is een verhaal en de .hoofdpersoon van dit levensavontuur zit tegenover me. Laat hem dus zelf spreken:

De noodlanding.

„We hadden, na het vertrek uit Longreach, ongeveer 3 uur blind gevlogen door regen en wolken, toen ik een radio-peiling wilde nemen en merkte, dat het apparaat weigerde.

Ik probeerde verbinding met een grondstation te krijgen, maar kwam tot de ontdekking, dat ook dat niet lukte. Het was duidelijk, dat het hele electrische systeem moest zijn uitgevallen. Ik riep Brard, de mecaniciën en legde hem de situatie uit; hij ging ijlings aan het zoeken, waar de fout zat. Zonder radio-kompas en zonder zicht waren wij hulpeloos.

Het enige, wat er op zat, was doorvliegen, in de ,hoop, dat hetzij het mankement te verhelpen zou zijn, hetzij voor zonsondergang het weer zou opklaren, zodat we zicht kregen en een landing konden maken.

Maar de uren verstreken en mijn radio bleef weigeren. Ik wist, dat het gebied van slecht weer om Cloncurry niet onbeperkt van afmeting was; we hadden dus kans er doorheen te komen, maar aangezien men mij geen windgegevens had kunnen verstrekken, kon ik slechts bij benadering binnen een straal van 60 mijl mijn positie schatten

Een half uur voor zonsondergang kwam er enig grondzicht; ik daalde tot 600 meter en probeerde me te oriënteren. Maar het was hopeloos; we waren nu in het Noorden van Australië en vlogen boven een tropisch bebost terrein. Ik wist, dat er .van Port Darwin naar het Zuidelijk gelegen Catherine een spoorweg loopt van 400 mijl; Port Darwin kon ik niet meer halen; ik ging dus in Westelijke richting vliegen in de hoop deze spoorlijn te zullen kruisen. waardoor ik georiënteerd zou zijn en in de buurt van enig menselijk verkeer.

Doch geen spoorlijn kwam in zicht. Tien minuten voor donkerzag ik eindelijk een open plekje in de bossen; ook daar stonden nog bomen, maar het was te proberen.. Ik riep de mensen bij elkaar en deelde hen mede, dat ik een kleine veldlanding zou pogen te maken op het open terreindeel; het noodluik werd losgemaakt en de deur opengegooid; ik gaf alle mensen opdracht zich achter in het toestel te begeven.

Hangend aan de motoren kwamen we naar beneden; het werd een buiklanding, waarbij dus het landingsgestel ingetrokken bleef. Eerst kwamen we op de staart neer, daarna op het voorwiel; we schoten tussen de bomen door, waarbij stukken van de vleugels afbraken. Het uitstekende gedeelte van het landingsgestel maakte sporen van ongeveer een halve meter in de grond, die zeer drassig was; dit was een geluk, want het staartwiel raakte bij een wending in een van die sporen en dit had een uitermate remmende werking; de propellers vlogen van het toestel, een scheurde de rechterkant van de romp open, maar we kwamen tot stilstand en …….bleven allen ongedeerd."

Mijn zegsman besteedde verder weinig tijd aan het beschrijven van de spanning, welke de opvarenden in deze momenten hadden doorgemaakt.

Hij zal er misschien zelf weinig van gemerkt hebben, want in hem moet elke zenuw erop zijn ingesteld, om de gok te doen gelukken.

Enfin, zij was gelukt, weliswaar met verspeling van het toestel, maar zeven mensen levens zaten behouden op een klein stukje grond ergens in de wildernis van Noord Australië.

Voor hem was deze landing zeker niet de grootste belevenis geweest; daaraan volgend begon het avontuur pas, dat de grootste krachtsinspanning vergde.

„We begonnen natuurlijk met onze noodradio in werking te stellen; op de vleugel zittend, moesten allen om de beurt draaien en ik heb voor de nacht wachten.ingesteld. De overigen begaven zich in het vliegtuig om wat te slapen.

Het belangrijkste was om te weten, waar we ons bevonden. De volgende morgen heb ik dus met mijn sextant enige zonnetjes geschoten en als gevolg daarvan had ik tegen de middag uitgemaakt, dat onze positie was: 13 gr. 45 min. Z. br. en 132 gr. 40 min. 0.1.; d.w.z. 70 mijl ten N. O. van de dichtst bijzijnde plaats Katherine en 150 mijl van Port Darwin; de spoorweg waren we nog niet gepasseerd.

De vraag was nu, wat te doen? De gewoonte is, dat de bemanning in een geval als het onze. bij het vliegtuig blijft. Ik besloot echter in een andere richting. Daarvoor golden voor namelijk twee overwegingen: in de eerste plaats hadden we zeer weinig voedsel aan boord; in de tweede plaats had ik vier uur gevlogen zonder mijn positie op te geven en ik moest dus aannemen, dat men, ons vermissende, zou beginnen te zoeken in het gebied, waar men het laatst iets van ons gehoord had, d.w.z. zeer ver van de plaats, waar we werkelijk zaten. We bevonden ons bovendien ver buiten de normale route, in een onoverzichtelijk, tropisch bebost terrein.

Om naar de bewoonde wereld te gaan lopen,.moest uitgesloten geacht worden; daarvoor was het veel te moerassig.. Maar ik kreeg een ander idee; ik besloot te gaan varen. Vlak bij de, plaats, waar we waren neergekomen, stroomde een beek; de snelheid was vrij groot Ik maakte daaruit en uit de aard van het omliggende terrein op, dat we ons in het stroomgebied van een rivier bevonden. Dit klopte met de gegevens varr een kaartje, da ik bij me had en met datgene, wat ik me herinnerde van de paar keer, die ik er vroeger overheen was gevlogen.

Australië bezit slechts weinig rivieren en ze hebben. alleen in de regentijd enige omvang.VoIgens mijn berekening, moest ik me bevinden in. het stroomgebied van de Katherine-rivier die vanuit het N. O. op het stadje Katheríne toeloopt, het eerste gedeelte door een vlak.gebied, daarna door een bergketen brekende en tenslotte in de vlakte bij Katherine uitmondende.

Van de zeven opvarenden van ons toestel konden er drie niet zwemmen; hen zou ik in ieder geval bij het vliegtuig achterlaten. Ik beschikte over twee opvouwbare rubberboten; in ieder daarvan zou twee man plaats nemen, plus een hond. Ik heb n.l. nog niet verteld, dat we ook twee honden aan boord hadden. Ik zelf had in Australië voor een vriend een mooie pointer gekocht, een rashond, die me 12 pond kostte; een van de anderen had een echte kamponggladakker bij zich.. U zult uit het vervolg van het verhaal zien, dat je in onze omstandigheden maar beter van eenvoudige afkomst kunt zijn.

We besloten de volgende morgen vroeg te vertrekken; we verdeelden de levensmiddelen, hetgeen betekende, dat wij met zijn vieren de beschikking zouden hebben over 30 sinaasappelen en twee blikjes melk. Ik maakte me geen illusies, dat ik de hele reis, die in rechte lijn ongeveer 70 mijl bedroeg, geheel per boot zou kunnen afleggen. De bergen zouden we ongetwijfeld te voet moeten passeren, maar het leek me de beste kans om de bewoonde wereld te bereiken en ook voor de achter gebleven kameraden hulp te verkrijgen.

Per kano naar de beschaving.

Van het moment af, dat onze wankele rubberbootjes te water gingen, was het me duidelijk, dat de uitvoering van mijn plan niet eenvoudig zou zijn. De stroom in de beek had een snelheid van zeker 8 Km. per uur; er bevonden zich boven en onder water talrijke obstakels en we konden er dus op rekenen, dat de boten veel te verduren zouden krijgen. Vooral in de smalle beek, was het een kwestie van manoeuvreren langs .overhangende takken, onverwachte bochten en plotselinge versperringen.

Mij interesseerde in het bijzonder de richting welke de beek zou blijken uit te gaan; het was slechts een veronderstelling dat zij behoorde tot het stroomgebied van de Katherine-rivier. Maar het kompas toonde aan, dat de algemene tendenz zeker Z.W. was, wat met. de verwachting klopte.

Na anderhalf uur drijven en peddelen mondde onze beek uit in een brede rivier die eveneens vrij snel stroomde. Het wed een pleziertochtje; We zetten een tentje op, en probeerden het water dat goed drinkbaar bleek.

Beschermd tegen de hitte en tegen de dorst lieten we ons voortdrijven waarbij ik scherp bleef uitkijken, of de bergen, die ik verwachtte, in zicht kwamen.

Op een gegeven moment zag; ik voor ons in het water twee oogjes in een geelbruin eilandje; het dreef voor ons uit, maar we haalden het langzaam in. Een machtige, stok-oude krokodil had in de misschien .wel honderd jaar van zijn leven nog nooit zoiets gezien als thans achter hem aandreef.

Ik waarschuwde van Rhoon, die zijn stengun nam, om niet te schieten, voor we zo dichtbij waren,. dat we zeker konden zijn, hem te doden. Ik was bang, dat hij, indien we hem alleen maar aanschoten, met zijn geweldige staart zou trachten ons te vermorzelen; onze ranke bootjes waren een.lichte prooi..

Op een paar meter afstand genaderd, lostte van Rhoon een salvo; geweldige beweging in het water, een kolk en daarna was er niets meer te zien. We namen aan, dat hij op de bodem van de rivier de geest ging geven. Om drie uur 's middags kregen we na een bocht in de rivier de eerste heuvels in zicht; de rivier werd thans veel smaller; we hoorden geruis van water en zagen, op enige afstand van ons uit rotspunten uit het water steken.

Ik besloot, naar de oever te peddelen en voor we verder gingen, de situatie te gaan opnemen. We maakten de boten vast en baanden ons langs de kant een weg naar het punt, waar we het geruis hadden gehoord. Het bleek geen waterval te zijn, maar een stroomversnelling; met een vaart van 20 Km. schoot het water langs de rotsen en overhangende bossages.

Het leek me echter, dat we het er op konden wagen, al vereiste de doortocht enige behendigheid.

We gingen weer aan boord en zetten af; ik zat met van Rhoon in de voorste boot; Houwniet en Barnard volgden in de tweede.

In een minimum van tijd werden we door de stroom gegrepen; het manoeuvreren met de peddels werd een kwestie van seconden; we draaiden om onze as en passeerden rakelings de uitstekende rotspunten; schuim en water spatten overal om ons op, zodat we vrijwel vol sloegen, maar we bleven drijven. Het moeilijkste gedeelte van het karwei hadden we echter niet voorzien; dat kwam pas, toen we de eigenlijke stroomversnelling waren gepasseerd.

Ik zei al, dat de rivieren in Australië eigenlijk alleen in de regentijd bestaan; hun loop is dan zeer willekeurig en zo zag ik tot mijn schrik, dat het eerstvolgende traject na de versnelling, waarin het water nog een grote vaart had, dwars door een bos ging. Uit alle macht moesten we probeeren de bomen te ontwijken; het was een enorme inspanning. Toen ik een kreet hoorde en een moment omkeek, zag ik gebeuren, wat ik ook voor ons zelf ieder ogenblik kon vrezen; de tweede boot had een aanvaring en een der opvarenden sloeg over boord.

Er was op dat moment geen sprake van hulp verlenen. We moesten voorlopig zelf zien, het vege lijf te bergen en pas een eind verder, toen we buiten het bos kwamen, zagen we kans naar de wal komen.

Van de anderen was niets meer te zien. Ik gaf van Rhoon opdracht om te wachten en besloot zelf langs de oever te lopen, om te zien, wat er van hen terecht was gekomen. We waren kletsnat en ik hield alleen een onderbroekje aan. Over de afstand, die we na ons gevoel in enige minuten hadden afgelegd, deed ik er een uur over om langs de kant terug te gaan. Daar vond ik mijn twee metgezellen, druipnat bijeen zitten; de een, die met een boom in aanraking was geweest, leek een beetje versuft. De boot hing op enige afstand dubbel geklapt om een boom.

Aan Houwniet gaf ik opdracht, op zijn gemak het pad terug te wandelen, wat ik heengaande had gebaand en zich bij van Rhoon te voegen. Toen hij vertrokken: was, begaf ik mij met Barnard samen te water, om te zien, of we de dubbel geklapte boot van de boom los konden krijgen. Via takken en stammen bereikten wij ons rubber vaartuig, dat in zijn tegenwoordige vorm een deerniswekkende aanblik bood. Ons eerste werk was, er de dingen van waarde uit te halen, een stengun, een emmer, waarin zich een hoeveelheid Amerikaanse sigaretten bevond en een jas van. onze metgezel, die 80 Australische ponden bleek te bevatten.

Een en ander in veiligheid, zetten we onze schouders tegen de ene helft van de boot, om te proberen deze tegen de stroom in terug te duwen, in de hoop, dat zij daarmee vrij van de boom zou komen. A1 onze krachten spanden we in, maar het water was ons , mede doordat we niet voldoende afzetmogelijkheid hadden, te sterk af.

Daarbij kwam, dat wij en door de spanningen van de laatste dagen en door het feit, dat we sinds onze landing niet veel meer te eten hadden gehad, niet over veel reserve kracht beschikten. Na enig worstelen begrepen we dat we de poging moesten opgeven en onze boot als verloren diende te worden beschouwd. We zwommen terug naar de kant en besloten ons met de overgebleven bezittingen bij de anderen te voegen.

Om vijf uur in de middag hadden we hen bereikt; de overgebleven boot werd te water gelaten en met zijn vieren en de twee honden erin staken we opnieuw van wal. De tocht had verder, een rustig verloop, maar we dienden uit te zien naar een kampement. Aan de reactie van de dieren langs de oever viel op te merken, dat hier waarschijnlijk .nooit mensen waren gewaest; grote vogels bleven op tien meter afstand van ons zitten; krokodillen lagen lui in de modder. Op het kaartje, dat ik bij me had, stond dan ook aangegeven, dat het terrein, waarin we ons meenden te bevinden (zeker van mijn zaak was ik nog steeds niet, al had ik goede hoop), „inaccessible" was.

Toen we na weer een uur varen geen enkel plekje hadden gevonden, dat zich ook maar enigszins leende voor een bivak, moest een besluit worden genomen, want het begon donker te worden. Het enige wat we in deze omstandigheden konden doen, was de boot aan een overhangende boomtak vastbinden en dat betekende, de nacht op elkaar gepakt in de kleine ruimte aan boord doorbrengen. Eten hadden we niet; van onze sinaasappels, die nog over waren, was het dagrantsoen verbruikt.

Het vooruitzicht was, na alle vermoeienissen van de dag niet best. We spanden over de boot een tentzeiltje, teneinde enigszins gevrijwaard te zijn tegen de regen, die begon te vallen.

Ik stelde een wacht in, die met de stengun in de hand moest blijven uitkijken. Met zïjn zessen vormden we een behoorlijke voorraad vlees en een klap van een krokodillenstaart zou voldoende zijn, om ons schip te doen kapseizen. In dit opzicht hebben we veel plezier gehad van onze kleine gladakker; hij toonde een grote waakzaamheid, zodra er maar enig gevaar dreigde, begon hij te grommen. Een bedenkelijke omstandigheid bleek verder, dat de boot bij het ventiel, waarmee zij vol lucht was geblazen lekte. Om de drie uur moest daarom door de wacht gepompt worden. De drie, die recht op slapen hadden, lagen kop aan staart op de bodem van de boot; voor de honden was geen plaats en ze moesten boven op ons liggen. Daar het bovendien onder het tentzeiltje vrij benauwd was, waren de honden voortdurend onrustig.. Ik behoef wel niet te zeggen, dat er op deze wijze van slapen niets kwam. Wij voelden ons uitgeput en wachtten gelaten de dag af.

De tweede dag van onze opmars naar de beschaving verliep zonder belangrijke incidenten. Bij het aanbreken van de dag maakten we ons vaartuig los en dreven verder de rivier af; we voelden ons vermoeid, een enkele sinaasappel gaf ons een idee van eten. Verder dronken we veel uit de rivier; het was zeer warm overdag in het tropische landschap; water, waarmee we ons zelf beprenkelden en dat we dronken, was onze enige afleiding.

Maar overigens was de spanning over onze ongewisse tocht, die we met zulke beperkte middelen hadden moeten ondernemen, toch wel zoo groot, dat we eigenlijk noch van vermoeidheid, noch van de honger veel merkten. We vorderden en met behoorlijke snelheid; dat was het voornaamste.

We deden voorts een ontdekking, die ons met hoop vervulde; op een gegeven moment passeerden wij paardensporen en bovendien waren het sporen van beslagen paarden; dat betekende alweer, dat de samenleving nabij moest zijn. Trouwens volgens mijn berekeningen konden we thans niet ver meer van Katherine verwijderd wezen. Later op de dag hoorden we schoten, niet eens zo ver van ons verwijderd.

We concludeerden dus, dat de sporen afkomstig waren van jagers te paard. We schoten uit alle macht terug, maar niemand hoorde ons blijkbaar. Een ogenblik steeg onze .hoop heel hoog, toen we dicht in de buurt zelfs hoefgetrappel vernamen; we schreeuwden wat we konden, maar helaas, de afstand was te groot; niemand verwachtte ons natuurlijk hier en de jagers merkten ons niet op.

Een nieuwe emotie stond ons te wachten, toen we in de loop van de middag het geronk van een vliegtuig hoorden. Ik had twee seinspiegels bij me en klom er mee in een boom. Daar kon ik het vliegtuig waarnemen; het vloog ver weg, op naar schatting 8000 voet. Met behulp van de spiegel poogde ik zijn aandacht te trekken, maar ook dit was vergeefs; na korte tijd verdween het in de nevel.

Een nieuwe nacht zonder andere accomodatie dan de barre grond stond ons te wachten. We bevonden ons thans opnieuw in een zeer moerassig terrein; er was geen sprake van, dat we daar konden kamperen en toen we tijdens de mars een groot vlak rotsblok tegenkwamen, dat uitstak in een riviertje, kozen we dat maar als rustplaats voor de volgende nacht.

We hadden inmiddels nog twee lucifers over; de spanning over het al of niet slagen van ons kampvuur nam dus toe. We waren inmiddels zo uitgeput geraakt, dat als je een tak voor het kampvuur had aangesleept, daarop zeker tien minuten rust moest volgen. Voor het avondmaal hadden we de achterpootjes van de hond bewaard; hij smaakte na een dag belangrijk beter. Bovendien konden we opnieuw duidelijk merken, dat het voedsel nieuwe kracht gaf.

Van een ding hadden we op deze plaats nog meer last dan in vorige kampementen. Duizenden vliegen bestookten ons zo lang het dag was; ze kropen je aan. alle kanten in neus en oren. Om er een ogenblik af te zijn, doken we wel eens geheel onder water. Als je dan na een .ogenblik boven kwam, verkeerden ze inderdaad blijkbaar in de gedachte, dat je verdronken was, maar na een halve minuut had je ze weer om je heen. En als de avond viel, losten prompt de muskieten de vliegen af.

De volgende dag werd de dag van onze definitieve redding. We wisten het niet, maar al heel vroeg gebeurden er weer dingen, die ons moed moesten geven. Terwijl het nog donker was, hoorde ik opnieuw een vliegtuig overkomen; ik zag het niet, maar schatte het op 200 meter hoogte. Opnieuw klom ik ijlings ineen boom; toen zag ik zijn lichten. Aan het hoge geluid van de motoren kon ik nagaan, dat het nog maar zeer kort kon zijn opgestegen; bovendien nam ik thans in de richting waar het vandaan kwam, het draailicht van een vliegveld waar. Ik had een seinpatroon over en schoot die af, maar ook ditmaal zonder succes.

Een paar uur later, toen het licht was, kwam er weer een vliegtuig en dat was een veel duidelijker teken van de naderende redding. Dit vliegtuig was kennelijk aan het zoeken; het vloog op even 300 meter en volgde een zigzagkoers, helaas een koers, die van ons af gericht was. Wij wachten eerst een tijd of het misschien terug zou keren, maar toen er na twee uur niets gebeurd was, besloten we maar weer op pad te gaan.

Het eerste dat we nu aantroffen, waren sporen van een kar. We volgden die en kwamen na een half uur aan een pagar van ijzerdraad. Na nog een eind lopen naderden we een open ruimte in het terrein, waar een paar huisjes met bijgebouwen stonden. Alles bleek verlaten, maar in de tuin troffen we een aantal kostelijke watermeloenen aan. Als wilden vlogen we er op af en beten er gulzig stukken uit. Aan het geheel was te zien, dat er onlangs wel mensen vertoefd moesten hebben; spatborden en andere onderdelen van auto's wezen op een soort autokerkhof, maar geregeld bewoond was het kennelijk niet. We gingen dus verder en volgden nu een autospoor; dit kwam na enige tijd uit op een werkelijke weg. We liepen die weg af in de richting, waar we vermoedden, dat Katherine lag.

De weg dook enige mijlen verder door een riviertje; we besloten hier maar eens rustigr te gaan baden. Juist stond ik op het punt een duik te nemen, toen ik auto-geronk hoorde en achter ons, uit dezelfde richting vanwaar we gekomen waren een auto zag naderen.

Uit de auto stapte een constabel van de Australische politie, die……… ons aan het zoeken was.

Hij had juist eten gebracht aan een troep van 50 zogenaamde "Bush"- mannen, die men in linie langs de rivier liet optrekken, om ons op te sporen. Deze Bush-mannen staan bekend om hun buitengewoon scherpe reuk, waardoor zij mensen op naar men zegt, honderd meter afstand kunnen waarnemen.

De constabel was zeer verbaasd ons te zien, want hij kon zich niet voorstellen, dat wij door de linie van „Bush"-mannen ware heengekomen. Hij gaf te verstaan, dat zij voor deze mislukking een grondige schrobbering verdiend hadden.

Met dat al was hiermede een eind aan het lijden gekomen. We bevonden ons op 7 mijl afstand van Katherine. Hij nam ons in zijn auto en in een kwartier tijd zaten we in zijn huis achter een grote fles bier. Nooit heeft een glas bier me zo gesmaakt als toen. Ik had hem er zo van om, maar het was als een hemelse drank. Vervolgens kregen we vers brood met boter en eieren. Na de maaltijd hebben we ons geschoren en een bad genomen en daarna kwam een dokter om onze geschonden voeten te behandelen. Toen dat gebeurd was, gingen we naar bed en sliepen. Het doel was bereikt."

Van Niftrik is aan het eind van zijn verhaal; hij zit met zijn pijp te spelen. Nu hij het hele verhaal van de doorgestane ontberingen verteld heeft, staat alles hem scherp voor de geest. Ik heb het in spanning meebeleefd en krabbel mijn laatste aantekeningen.

"En de anderen?" vraag ik nog.

„Die waren net iets eerder in Katherine, dan wij. Ze zijn er gemakkelijker gekomen. Door een toeval zijn ze ontdekt. Een passagier van een Quantas-toestel zat uit het raampje te kijken. Plotseling zag hij op een open plek, temidden van de bossen, een vliegtuig liggen. Hij waarschuwde de piloot; deze vloog er laag overheen en nam drie mensen waar, die op de vleugel stonden te zwaaien . Hij rapporteerde zijn vondst en van Katherine uit. heeft men toen een expeditie met paarden en muilezels gezonden, die de vermisten is gaan ophalen. Zodoende wist men in Katherine, dat wij langs de rivier onderweg waren."

„Na twee dagen heeft een vliegtuig ons van Katherine naar Sydney teruggebracht. Daar heb ik vier weken gelegenheid gehad om op mijn verhaal te komen. Gisteren ben ik met een kist uit Sydney naar Soerabaja teruggekeerd. Vier vrouwen met babies, vijf kleine meisjes en twee kleine jongens had ik aan boord. Ik moest er niet aan denken, dat me daarmee dat grapje overkomen was."

De spanning is opgelost; ik heb honger gekregen van dat verhaal zonder voedsel; mijn buurman blijkbaar ook.

We gaan aan tafel en terwijl ik hem zo eens aankijk, denk ik bij mezelf: „Je zult, als verantwoordelijk commandant, die dagen toch behoorlijk de tanden op elkaar hebben moeten klemmen, vriend."

Dat is dan ook de reden, waarom ik het hier uitvoerig heb weergegeven: ,. .

Was getekend: D. K.

- Einde -

BRON: "Ik zal handhaven" mei - juni 1947 maart 2000 George J. Visser (IMH)