Oud Nieuws

Nr. 017 Rubriek voor Nedvets en Baksgewijs door George J. Visser, ex MLD’er

BIJ DE WIEG VAN DE MARINE

LOOSDRECHT

WAAR BURGERS MATROZEN WORDEN

Ergens in de verlatenheid ten Zuidwesten van Hilversum wijst een slanke scheepsmast naar de sombere wolkengevaarten van een Hollandse zomermisère. Daar, tussen de rietkragen van de Loosdrechtse plassen, staat het opleidingskamp van de Marine, een paar gebouwtjes, waar recruten, ondanks a1 het zoete water om hen heen, worden opgeleid tot marozen van het zoute water. In Loosdrecht? Zal men zich verwonderd afvragen. Worden in Loosdrecht. matrozen opgeleid? De marine wordt, toch automatisch geassociëerd met Nieuwediep ? Inderdaad, de Koninklijke Marine hoort thuis op het puntje van het winderige Noord-Holland; maar alvorens haar mannen zo ver gekomen zijn worden zij ondergebracht in het Marineopleidingskamp in de Gooise bossen rond Hilversum. En de kleine dépendance, waar deze matroosjes de eerste beginselen van het varen worden bijgebracht, ligt half verscholen achter plassen en plaggen aan het wijde water van de Loosdrechtsche meren. In een gezellig komboffie, waar de koffie vrolijk stond te dampen, vonden we de gemoedelijke onderofficieren, die een twaalfhonderd landrotten moeten inwijden in de geheimen van de roei- en zeilkunst.

Sloeproeien

Het verhaal van de bootsman

We beginnen met de theorie want die knapen weten soms amper 't verschil tussen een fluitketel en een roeiboot," vertelt ons een van de oude marinegasten. De leerlingen moeten weten hoe ze zitten moeten. Van die Zuiderlingen natuurlijk niks dan goed, maar van varen hebben ze geen verstand wanneer ze hier komen. Als de kraan loopt worden ze al zeeziek en dat kunnen. we .natuurlijk niet hebben bij de Marine. Hebben we hun verteld , dat ze met hun rug naar de boeg moeten zitten en dat ze hun riem niet als een dieplood in de soep moeten steken dan gaan we ze de technische termen leren. We vertellen ze wat een scheehoutje is, wat een wille is. En als ze dat nou eindelijk in hun koppies hebben geprent, dan snappen ze vanzelf wel, dat we met een "afgekeurde marinier" precies hetzelfde bedoelen als een wille. (We wilden natuurlijk net doen of we terzake kundig waren, maar bij toeval kwamen we er achter dat een wille het marinejargon voor een kurkezak is).

Onze bootsman stak de brand nog eens in z'n stompig pijpje en vervolgde z'n verhaal. We hebben de jongens een zes weken bij ons, waarin we hen in twaalf lessen roeien en zeilen leren. Natuurlijk zijn ze dan nog niet volleerd, want er zijn er bij, die 't waarschijnlijk nooit helemaal leren, maar in ieder geval kunnen ze na de cursus een dragelijk examen afleggen. 's Morgens en 's middags komt de truck van het hoofdkamp rijden met recruten; dag in, dag uit staan deze instructeurs voor de taak om al die honderden jongens bij te staan bij hun eerste wankele schreden in de Marine.

Van oudsher is dit onderdeel van onze strijdmacht nu eenmaal het meest populaire geweest en het is ook niet te verwonderen. Wanneer we deze knapen aan het werk zien, dan horen we geen gefoeter op de dienst. In de vrije lucht van de plassen krijgen ze een onderdeel van hun opleiding, een deeltje van het rooster, dat jongens uit de mijnstreek en uit de Greidhoek, van Terschelling en de Peel vertrouwd maakt met het water.

Je pikt ze er zo uit; daar zit er een te schutteren met z'n riem: "Nee, knaap, wanneer je strijkt moet je 'm niet te diep in het water steken, want dan word je van je stoeltje gelicht!" De vijfde man aan stuurboord is kennelijk aan en op het water grootgebracht, hij manipuleert met zijn spaan of hij nooit anders gedaan heeft. En zulk, een ongelijk gezelschap staat dan onder de hoede van zo'n in de dienst vergrijsde bootsman, die ze met een vaderlijk vloekje en een goedkeurend gebrom het roeien bijbrengt.

Ze kunnen sappig schelden op een wijze, die je als burger nooit helemaal kunt volgen. Een knaap, die z'n riem bijna in het water liet glijden werd op een vriendelijke toon met een "baal hooi" vergeleken. "Je moet die knapen niet met een koppie thee opvoeden, maar met de catechismus", is het onverstoorbare bescheid van de oude bootsman na een vrolijke knetter.

En ze vinden het prachtig; als ze maar kunnen varen, als ze maar naar hartelust aan die riemen kunnen sjorren en als ze maar kunnen wedstrijdroeien met de andere boten. Dat is het vaste hoogtepunt van de middag, race-roeien met de wind mee. Haal op..., gelijk," twaalf paar armen scheuren aan de koppige riem, die met een klein plonsje door het water plast..., haal op..., gelijk, vooruit man, kijk voor je, we liggen. nog achter." Dan schieten de boten langs de steiger en klimmen twaalf doodvermoeide jongens uit hun boot. "Tja, zo maken we daar nou zeelui van, maar eh, morgen is 't Zaterdag en dan is het géén kermis.

Dan gaan de boten op ‘t droge en gaan we schoonmaken. Een zeeman moet goed zijn voor z'n schip. Of het nou de "Tromp" in de Indische Oceaan is of een sloep op de Loosdrechtse plassen, de schuit moet glimmen." Daar achter de rietkragen van Loosdrecht wordt de jeugd omgeveild tot matrozen van de Koninklijke Marine. De één zal er een levenstaak vinden, de ander zal er zijn diensttijd voltooien, maar er zal er niet een zijn, die het zal betreuren te hebben gediend onder het geusje van de Marine.

G.W.

Bron: HET LICHTSPOOR juli 1948 mei 2000 George J. Visser (IMH)

Nog zo'n verhaal over de Boomhoek: Een complot tussen Baksmeesters.